top of page

Mama ik buig voor je lot en ik hou van je

Zaterdag 26 maart 1983

Ik lig in bed. Ik word geroepen. Of ik naar beneden wil komen. Er is telefoon voor mij. Ik loop de trap af en ga het kantoortje in van de vader van mijn vriend. De hoorn van de crèmige telefoon ligt van de haak op het donkerbruine bureau met het geborduurde oude witte kleedje. Ik ga op het puntje van de stoel zitten en breng de hoorn naar mijn oor. Het is mijn oom. Hij vertelt me dat mijn moeder vanmorgen vroeg is overleden. Alles in mij sluit zich. Daar waar ik al zo lang voor gevreesd heb en voor weggevlucht ben door in Groningen te gaan studeren is waarheid geworden.

Mijn vriend die inmiddels ook in het kantoor is gekomen gaat achter mij op de stoel zitten en houd me vast. Ik huil niet en ik vraag ook niet waaraan mijn moeder is overleden. Het enige wat ik aan mijn oom vraag is waarom ze me nu pas bellen. Ze bleken niet te weten waar ik was totdat een van mijn broers het lumineuze idee kreeg dat ik wel eens bij de vader van mijn vriend kon zijn voor het weekend. Ik geef de hoorn van de telefoon aan mijn vriend. Ik kan niet meer naar mijn oom luisteren. Hij bespreekt nog wat met mijn oom en hangt daarna op. We blijven nog even verdoofd in het kantoortje zitten. Alle gebeurtenissen van de voorbijgaande jaren die tot dit telefoontje leiden schieten chaotisch door mijn hoofd.

 

Mijn vriend zijn vader zit aan de ronde eettafel zijn pijp te roken. We gaan zitten en mijn vriend vertelt hem dat mijn moeder is overleden. Ik voeg er aan toe dat ze het zelf heeft gedaan. Zijn vader zegt niks op het feit dat mijn moeder dood is, maar vraagt of ze katholiek is. Ik beaam dat waarop hij zegt dat ze dan wel naar de hel zal gaan. Ik weet niet wat te zeggen.

We gaan naar boven, weer naar bed. Morgen moeten we vroeg met de trein naar huis om wat kleding te halen en daarna gelijk door naar het huis van mijn moeder. Die nacht staar ik urenlang naar het plafond van de slaapkamer. Mijn gedachten gaan niet verder dan de mededeling dat mijn moeder is overleden. Het dringt niet door dat het nu echt gebeurd is.

 

In ons studentenhuis aangekomen lopen we de trap op naar onze kamer. Er hangt een briefje aan de deur. Of ik de politie wil bellen. Ik trek het briefje van de deur af en verfrommel het in mijn hand. Een van onze medebewoners komt naar ons toe en vertelt dat de politie een aantal keer is geweest en mij willen spreken. Ik loop door, onze kamer in. Ik heb geen zin om er op in te gaan, ik weet al waarom ze me willen spreken. Zonder eerst even te gaan zitten en een beetje thuis te komen, haal ik mijn oudroze jurk uit de kast. Deze jurk heb ik zelf gemaakt onder het toeziend oog van mijn moeder. Deze zal ik aantrekken op de begrafenis. Ik prop verder nog de kleding die ik denk nodig hebben in een tas. Als mijn vriend ook alles heeft, gaan we weer op weg naar het station.

 

De ontmoeting met mijn twee broers in het huis van mijn moeder is heel onhandig. We weten allemaal niet hoe te handelen. Mijn zusje woont sinds een paar weken niet meer thuis dus wij kunnen de komende dagen in haar kamer slapen. Mijn broers slapen in de logeerkamers. Terwijl wij onze spullen in de slaapkamer zetten, zet mijn schoonzus thee. Ik vraag aan mijn broers waar mijn zusje is. Zij weten niet waar zij is en dus weet zij ook nog niet dat mijn moeder is overleden. Ik ga naar mijn tante toe die een eindje verderop in de flat woont om te vragen of zij weet waar ze is. Maar ze kan me niet helpen. Ik ga naar nog wat plekken waar zij eventueel kan zijn of dat mensen weten waar ze is. De volgende morgen belt de tante ons op. Mijn nichtje zit op dezelfde school als mijn zusje en heeft haar daar gezien. School is wel de laatste plaats waar we aan dachten, omdat ze daar al maanden niet meer naar toe ging.

 

Ik loop met mijn oudste broer, het schoolplein op. We zien haar daar lopen. Ze ziet mij aankomen, kijkt verschrikt en wil me ontwijken. Ik loop resoluut op haar af en pak haar vast. Ik vertel haar dat ma dood is. Ze begint heel hard te huilen en dan komt mijn broer ook naar ons toe.

 

’s Middags gaan we naar het rouwcentrum waar mijn moeder opgebaard ligt. Als ik haar zo vredig zie liggen in de kist komt er een enorme boosheid bij me boven. Ik trap tegen de baar aan en begin op weg naar buiten te rennen. Ik haal buiten niet omdat de schuifdeuren niet snel genoeg opengaan. Mijn vriend en een meneer van het rouwcentrum houden me tegen. Ik begin, voor het eerst, onbedaarlijk te huilen. Ver weg hoor ik de man van het rouwcentrum zeggen dat ik een glas water nodig heb.

 

De rest van de week tot aan de begrafenis zijn we in de flat van mijn moeder. Niemand van de familie kijkt naar ons om. Mijn schoonzus zorgt voor het eten. We moeten goed eten want dat hebben we nodig, zegt ze. Mij interesseert het allemaal niet. Met mijn broers blijft het onmogelijk om over de dood van onze moeder te spreken. Zij blijven bij de versie dat ze een hartaanval heeft gekregen. Niks hoeft meer geregeld te worden voor de begrafenis. Dat is al gebeurd door een oom en tante voordat ik wist dat ze was overleden.

 

De telefoon gaat. Ik neem op. Ik ben hoogst verbaasd dat het mijn vader is, omdat wij al jaren geen contact met hem hebben. Hij zegt dat hij gehoord heeft dat mijn moeder is overleden, waarop hij in een adem door gaat en vertelt dat hij gaat trouwen. Ik antwoord niet, maar leg de hoorn op de haak. Had ik wat anders van hem verwacht?

 

Ik kijk steeds vanuit de woonkamer door de ramen van de slaapkamer naar het netjes opgemaakte bed dat leeg blijft. De gehaakte wit katoenen sprei blijft strak op het bed liggen. In deze dagen lopen mijn vriend en ik vaak even naar het park in de buurt. Ik word gek in dat huis. Ik ken dit huis niet. Ik heb er nooit gewoond. Mijn moeder ging hier samen met mijn zusje wonen toen ik naar Groningen vertrok. Hier vind ik niks. Geen herinneringen, niet mijn moeder.

 

Mijn zusje die deze dagen afwezig blijft zie ik pas weer op de avond van de condoleance. Ze heeft een vriendin bij zich die haar duidelijk afschermt van ons. Ook zie ik daar de vriend van mijn moeder. Hij zit verslagen op een bankje. Ik voel me niet geroepen om naar hem toe te gaan. Ik heb hem hiervoor pas een keer eerder ontmoet. Ik heb genoeg aan mezelf om mij staande te houden. Al die mensen die je een hand komen geven. De oude achterbuurvrouw van 80 jaar, die in haar verdriet zegt dat zij liever was heengegaan in plaats van mijn moeder. Ik wil tegen ze schreeuwen. Het uitschreeuwen over wat er werkelijk is gebeurd. Ik ben zo boos dat er zo gehuicheld wordt. Maar ik gedraag me en doe wat er van mij verlangd wordt. Mond houden en handen schudden. Ik ben leeg en opgelucht wanneer deze avond voorbij is.

 

Op de begrafenis zijn veel mensen. Ik heb mijn oudroze jurk aan. Tijdens de kerkdienst zit ik aan de rechterkant van de kist met mijn vriend naast me. De dienst is zo onpersoonlijk, dit gaat niet over mijn moeder. Ik sluit me nog verder af en ben me alleen bewust van de kist met mijn moeder erin naast me. Op de begraafplaats sta ik fysiek dicht bij de kist met het gat eronder waarin mijn moeder zal verdwijnen. Maar ik ben niet aanwezig in mijn lichaam. Ik sla het hele tafereel gaande vanaf een heuveltje aan de buitenzijde van de groep mensen om het graf heen.

Na de begrafenis is er de gebruikelijk koffie en cake. Ik zit samen met mijn vriend aan een tafeltje en sla de geanimeerde gesprekken gaande. Het lijkt wel een reünie. Hebben deze mensen niet door wat er allemaal gebeurd is, dat wij nu helemaal geen ouder meer hebben. Dat wij, dat ik, nu helemaal op mezelf sta. Al deze mensen gaan straks weer gewoon naar huis. Er is één nicht die even bij mij komt praten. Ik heb het gevoel dat zij het allemaal wel snapt, maar er geen woorden aan kan geven. Dit troost mij om de tijd uit te zitten totdat we weg kunnen.

 

Na wat onhandige maar bemoedigende woorden van mijn broers zijn we diezelfde middag weer naar ons studentenhuis vertrokken. Onze kamer is koud en voelt leeg dus besluiten we naar onze vrienden te gaan. Daar aangekomen horen we al van ver het lawaai van drummen. De deur wordt opengedaan en we stappen de kamer binnen waar iedereen op van alles aan het drummen is. Pannen, glazen van alles wordt gebruikt. Het is een hels kabaal. Geen van mij aanwezige vrienden zeggen die avond iets over het overlijden van mijn moeder.

 

Na het weekend ga ik gewoon naar school. Ook daar wordt niks gezegd over mijn afwezigheid door het overlijden van mijn moeder. Het verbaast me zeer en doet me pijn. Ik zit notabene op de opleiding Jeugdwelzijnswerk. Ik kom tot het besef dat ik ook hier alleen voor sta......

Het is nog maar vanaf het begin van de jaren tachtig dat er professionele begeleiding wordt gegeven bij een ingrijpend verlies. Tot die tijd dacht men dat er veel verdriet en pijn bespaard bleef door er niet over te praten en de dode te verzwijgen. Zo snel mogelijk doorgaan met het leven als voorheen. Een andere reden is dat men zelf moeilijk kon omgaan met het verdriet. Hierdoor werd het eventuele opgelopen trauma niet goed verwerkt en werd het leven hierdoor overschaduwd.

 

Voor de verwerking van een ingrijpende gebeurtenis is het voor de nabestaande belangrijk om woorden te geven aan wat er is gebeurd. Hierdoor wordt het overlijden van de dierbare niet alleen meer werkelijkheid, maar het helpt ook om de chaos die je van binnen voelt enigszins te ordenen en aan de dood een betekenis te geven.

 

Maar om te vertellen over een verlies door zelfdoding moet men veel overwinnen, omdat er nog steeds een enorm taboe op rust. Rouw na zelfdoding geeft daardoor vaak gecompliceerde rouw. Men heeft niet alleen te maken met het verdriet en gemis maar ook met schaamte, schuld, angst, onmacht en soms ook opluchting, wat het moeilijk maakt om er over te vertellen.

Vaak wordt de zelfdoding bij de eerste berichtgeving doodgezwegen. In dat zwijgen ligt er al een oordeel en maakt dat de rouwende ook zwijgt. Dit kan voor een zelfopgelegd isolement zorgen, zodat het verlies geen leefbare plek kan vinden in het eigen leven.

 

Hoewel we tegenwoordig toleranter zijn, is er nog steeds geen eind gekomen aan het oordeel dat op zelfdoding rust. De eeuwenlange morele en maatschappelijke verwerping van zelfdoding laat diepe sporen na in ons collectieve denken. De openlijke afwijzing, met name door de kerk, is weliswaar niet meer duidelijk aanwezig in onze maatschappij, maar voor veel mensen geldt nog steeds het oordeel dat zelfdoding iets is wat je niet doet, dat doe je een ander niet aan. Deze doden worden niet meer ergens buiten de poorten van een begraafplaats verstopt, maar we zetten de doden nu op een andere manier weg, door ze niet te erkennen.

 

Zelfdoding heeft te maken met een voorgeschiedenis. Het is een gevolg van meestal jarenlange ellende en pijn. Vaak hebben naasten een lange weg achter de rug van machteloos toekijken en tevergeefs zoeken naar een oplossing die het leven leefbaar maakt. Het kan als een persoonlijke tekortkoming voelen als het niet gelukt is om de zelfdoding te voorkomen. Zelfdoding kan ook veel vragen bij nabestaanden oproepen zoals: Heb ik wel genoeg gedaan om dit te voorkomen? Wat is de zin van dit veel te vroeg zelf beëindigde leven? Heeft mijn leven dan nog wel zin? Wat was de betekenis van onze relatie? Waarom was ik niet genoeg om voor te leven? Wat was onze liefde eigenlijk waard?

Antwoorden krijgen we niet meer. Onze doden zwijgen voorgoed en hebben, als ze dat zelf al hadden, hun antwoord meegenomen in de dood. Hoe graag we ook willen en hoe hard we ook ons best doen, we kunnen nooit naar boven krijgen wat er precies is voorafgegaan aan deze dood. Soms is er een afscheidsbrief, maar vaak roepen die meer vragen op.

 

Wie een dierbare verliest aan de dood, verliest ook altijd een stuk van zichzelf. De relatie met de overledene heeft gemaakt tot wie tot dan geworden zijn en met de dood van de ander sterft dat samen mee. Je bent niet langer het kind en in het geval van de zelfdoding van een moeder ben je niet alleen de dochter zonder moeder, maar ben je de dochter van de vrouw die zichzelf heeft gedood. Naast dat er een rol uit je leven verdwijnt krijg je ongevraagd er een andere voor in de plaats.

 

Gebeurtenissen en trauma’s in een familie zijn vaak van enorme invloed bij zelfdoding.

Een familieopstelling of constellatie is een geschikte methode om inzicht te krijgen in de invloed van de familie op jouw eigen problemen, waaronder de nalatenschap van een zelfdoding.

 

 

Zelfdoding volgens systemisch perspectief

 

In de opstelling probeert mijn moeder oogcontact te maken met mijn oma. Mijn oma merkt haar niet op. Zij kijkt naar de grond. Daar ligt haar op 1 na jongste zoon. Dood.

Door de weg van de ogen van mijn oma te volgen, lukt het mijn moeder om contact met haar te maken. Mijn moeder gaat bij hem op de grond liggen. Hier is het goed, hier voelt zij zich gezien door haar moeder.

 

In het systemisch werk wordt onderscheid gemaakt tussen een zelfdoding dat voortkomt uit een persoonlijk trauma of uit de systemische liefde die onder de zelfdoding schuilgaat. Iemand die overgaat tot zelfdoding, doet dat veelal vanuit de onbewuste dynamiek van “ik volg je”. Je volgt bijvoorbeeld een lid uit je familiesysteem die is overleden en heel erg gemist wordt of die door de familie wordt verzwegen. Je kunt hierdoor je eigen leven niet meer nemen. Je hebt de onbewuste loyaliteit dat het met jou niet beter mag gaan dan met de overledene. Die onbewuste liefde is zo groot en kan zowel een dierbare betreffen, als een persoon uit het verdere familiesysteem die wordt buitengesloten. Zelfdoding is dan, onbewust, een prima redenatie om gelijken te worden.

 

Een mogelijke andere reden waarom iemand tot zelfdoding overgaat, is dat het systeem disbalans kent in geven en nemen. Een familiesysteem draagt onbewust veel voor elkaar. Een schuld van een ander lid uit het familiesysteem wordt dan gecompenseerd. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan dat een familielid iemand vermoord heeft of aan een miskraam, abortus of vroeg gestorven kind. In ruil voor deze schuld, geeft de ander zijn leven. Schuld moet hier gezien worden als dat jij wel mag leven en de ander niet.

 

Als een moeder het niet lukt om goed voor haar kind te zorgen is dit in bijna alle gevallen onmacht en geen onwil. Haar innerlijke pijn is te groot en te overweldigend. Een moeder met behoeften die niet door haar ouders of haarzelf kan worden vervuld, doet onbewust een beroep op haar kind om het tekort op te vullen. Daarnaast voelt een kind feilloos aan wanneer het niet goed gaat met een ouder. Wanneer het niet goed gaat met de moeder is het onveilig voor haar. Onbewust en bewust zal het kind alles doen zodat het goed gaat met de ouder, zelfs als dat ten koste gaat van haarzelf. Het kind heeft onbewust de “valse” illusie dat als het goed voor de ouders zorgt, het tekort van de ouder wordt opgeheven en het kind zelf weer veilig is. Maar hierdoor gaat het kind van zijn plek in het familiesysteem. Een kind hoort te ontvangen en een ouder te geven. Kinderen kunnen geen verantwoordelijkheid nemen voor het geluk van een ouder. Kinderen kunnen geen verantwoordelijkheid nemen voor het lot van de ouder. Doen ze dat wel, dan gaan ze in het familiesysteem boven hun ouders staan.

Na het vertrek van mijn vader toen ik twaalf jaar oud was heb ik (onbewust) de taak op me genomen om voor mijn moeder te zorgen. Naast praktische hulp, zoals het huishouden, was ik vaak thuis zodat ze gezelschap had. Ook gebruikte mijn moeder me als ‘praatpaal’. Al haar ongenoegen over mijn vader en haar eenzaamheid werd aan me verteld. Ik heb achteraf gezien veel van mijn eigen leven en ontwikkeling voorbij laten gaan. Ik was in die tijd ook zelf vaak somber en ging heel vroeg naar bed om alles te ontvluchten.

Because of you - Kelly Clarkson -

 

I will not make the same mistakes that you did
I will not let myself
Cause my heart so much misery
I will not break the way you did
You fell so hard
I've learned the hard way
To never let it get that far

bottom of page