top of page

Anticiperen op de dood van mijn moeder

Anticiperen op een verlies vormt een belangrijk onderdeel van dat verlies. We beschouwen het vaak als een deel van het proces dat onze dierbaren doormaken wanneer zijzelf hun eigen dood onder ogen zien. Niettemin is het voor degenen die het verlies van een dierbare zullen overleven het begin van het rouwproces. De anticipatie kan ons helpen om ons schrap te zetten voor wat komen gaat, maar we moeten in er wel van bewust zijn dat anticiperen op een gebeurtenis ons net zo zeer van slag kan maken als de gebeurtenis zelf.

Een gewaarschuwd mens telt niet in alle gevallen voor twee. Anticiperend verdriet door maken kán het rouwproces korter of dragelijker maken, maar hoeft niet per se. Het kan ook gevoelens van schuld oproepen: dat we al verdriet hebben - of hadden - vóór het verlies zich feitelijk voordeed. We kunnen alle vijf stadia van verlies (ontkenning, woede, marchanderen, depressie en aanvaarding) doormaken vóór onze dierbare werkelijk overlijdt. Het is dan ook mogelijk dat we alleen maar woede en ontkenning ervaren. Niet iedereen ervaart dat anticiperende verdriet, en degenen die dat wel doen, beleven het zeker niet allemaal op dezelfde manier.

Een stuk uit het boek “Over Rouw” (van Elisabeth Kübler- Ross.)         

 

“Lieverds, komen jullie even bij me zitten, mama (42) wil jullie iets vertellen”.

Ze zat in mijn vaders stoel, zo één die in de ligstand kan, voorovergebogen, ellebogen op haar knieën en stak een sigaret op. Mijn vader (43) stond achter haar met zijn handen op de rugleuning en wij, mijn zusjes (13 en 14) en ik (18), gingen tegenover haar op de bank zitten.

 

Er zal toch niet iets ergs zijn? Angst vloog me aan en mijn hart klopte in mijn keel.

 

Ze zuchtte diep en zei heel rustig: “Ik heb borstkanker, ik word geopereerd, maar het komt goed”

 

Ik verstrakte en als verdoofd stond ik op, gooide de kamerdeur open en stierde 2 trappen op naar mijn kamer, viel voorover op mijn bed, huilde en was ontroostbaar.

 

Mijn vader wilde mij achternagaan maar ik hoorde mijn moeder zeggen “laat haar maar even”.

 

Na een tijdje kwam mijn moeder naar boven, ze kwam achter me liggen en trok me tegen haar aan. Ze zei niets, hield me stevig vast en aaide over mijn rug en haar. Voor mijn gevoel hebben we daar uren gelegen, tot ik bedaard was, me omdraaide en haar met betraande ogen aankeek. Ik vroeg haar wat ze nu gingen doen, wanneer en of het echt zo was. Ze vertelde dat ze haar borst zouden amputeren en haar lymfeklieren zouden verwijderen uit haar oksel. Dat ze daarna zou worden bestraald en waarschijnlijk nog een chemokuur zou krijgen en haar haar zou uitvallen. Ze grapte dat dat het minst erg was, ze had toch peenhaar en ze zou dan een pruik krijgen en vroeg of ik die dan met haar uit wilde zoeken. Typisch mijn moeder, zag in elk nadeel een voordeel. (Net Cruijff)

Natuurlijk beloofde ik haar om mee te gaan.

 

De tijd die daarop volgde had ik het gevoel dat mijn gedachten, emoties en gevoel, samen met alle fases van rouw in een achtbaan zaten, door elkaar werden geschud, zonder rem.

 

Allereerst mijn ontkenning, (fase 1) “nee niet mama, onmogelijk, ze is de allerliefste moeder van de hele wereld, altijd goed voor iedereen en ze gelooft in God! ” Het was onmogelijk, ze zullen wel een verkeerde diagnose hebben gesteld. Gedachten vlogen in het rond, emoties zochten een weg in mijn lijf en kropten zich op.

Vervolgens de woede, (fase 3) kwaadheid op alles en iedereen. Op God, ik vervloekte hem. Hoe kon hij en ik verloor mijn geloof in hem. Ik kon mijn moeder niet begrijpen dat zij zo vasthield aan haar geloof en vertrouwen. Ik weet dat ik verschillende mensen heb verwenst die klote kanker te krijgen in plaats van mijn moeder. Zij verdiende dat zéker niet. Nu ik het zo op schrijf en teruglees, klinkt en voelt dat verschrikkelijk dat ik dat gedacht heb.

Mijn ouders hadden samen een bedrijf en mijn vader vroeg mij, voordat mijn moeder ziek werd, regelmatig iets voor mijn moeder te doen. Iets op de zaak of thuis. Dit ging vaak zonder nukken, soms met een diepe zucht, maar dat verdween als sneeuw voor de zon toen mijn moeder ziek werd. Nee, mijn vader hoefde nooit meer iets te vragen, ik zou het altijd uit mijzelf doen. Terugkijkend zou ik het nu als marchanderen betitelen (fase 2).

Verdriet (fase 4), woede (3) en ontkenning (1), wisselden elkaar af tot mijn moeder na alle behandelingen te horen kreeg dat het er goed uit zag en een half jaar later op controle mocht komen. Ik belandde in (fase 5) en durfde weer te leven, voorlopig een half jaar, te vertrouwen dat het goed zou komen, er kwam berusting.

De jaren die volgden en iedere keer wanneer mijn moeder voor controle terug moest komen, heerste er een bepaalde spanning in huis. Mijn moeder werd stil, wat mijn vader, mijn zussen en ik gingen compenseren. Nee, het zou goed blijven gaan, we hebben goed op elkaar gelet (fase 1 en 2)

Tussentijds was mijn vader aan de beurt met zijn gezondheid en werd onze focus op hem geprojecteerd. Ook in die tijd was er voor mij geen volgorde in fases van rouw.

Wij meiden werden volwassen vrouwen, gingen de deur uit, werden moeder en leefden onze levens. In het jaar dat mijn huwelijk strandde en ik verliefd werd op mijn huidige man, kreeg mijn moeder last van haar slokdarm. Ze hield weinig binnen en het werd steeds erger. Er werden “goedaardige” poliepen gevonden. Dit bleek heel kort goedaardig te blijven.

Op dat moment was ik heel erg met mijzelf bezig, voor mijn gevoel hield ik wel 1000 ballen in de lucht. Een scheiding, co-ouderschap, een nieuw filiaal gestart, verhuizing, nieuwe start met nieuwe partner, verliefdheid en verdriet om de kinderen. Het was veel om te behappen en achteraf gezien denk ik dat ik in fase 1 bleef hangen, uit zelfbescherming. Nee, toch niet weer!  

En toen, op 2 november 1997, de dag dat wij de sleutel kregen van ons nieuwe huis, de dag waarop ik samen met mijn huidige man een nieuw leven zou beginnen, de dag die begon vol geluk, werd verstoord door mijn telefoon. We hadden net het bed in elkaar gezet en ik ging op het matras zitten. Het was mijn vader. “Lieverd, het is foute boel”, mijn vader snikte aan de andere kant van de lijn. Met stokkende adem sprak hij verder “De kanker is uitgezaaid, het zit in haar lever, nieren, ruggenmerg, overal. Mama wordt nooit meer beter, ze gaat dood, wanneer hebben ze geen antwoord op. Ze blijft in het ziekenhuis en is in goede handen”. Hij brak en hing op.

“Neeeeeee, gilde ik, nee GVD, neeee, mama, nee”, ik brak, mijn huidige man rende de trap op en vroeg wat er was. Ik snikte, huilde en hij pakte me vast. Door mijn tranen heen vertelde ik wat mijn vader had verteld. “Wat een kut start”, huilde ik. Ik was boos, verdrietig en besefte dat mijn moeder ons huis nooit zou zien.

De maanden november en december waren heel druk voor ons bedrijf. Sinterklaas, kerst en oud en nieuw. Overdag werd ik opgeslokt door het werk, het co-ouderschap, middelen met mijn ex en            ’s avonds zo vaak als ik kon naar mijn moeder in het ziekenhuis en ook genieten van ons prille geluk. Gelukkig schoof mijn vader afwisselend bij mijn zussen en mij aan tafel. Emoties in- en uitschakelen, van ratio naar hart, naar buik. Ik was aan het survivallen. Ik was aan het anticiperen op de dood van mijn moeder.

Op 2e kerstdag, mijn moeder mocht met Kerst naar huis, overleed mijn oma (91) van vaderskant. Ondanks dat mijn moeder zo ziek was, wilde ze toch afscheid van haar nemen. Ik zie haar nog geknield zitten naast het bed, huilend. Ik hoor haar nog zeggen “Mam wat had ik je nog graag in leven gezien”. Ik stond geleund tegen de deurpost en mijn hart huilde, tranen liepen over mijn wangen en dacht: “Ja mam, wanneer ga jij?”

In de maanden die volgden, ging ik zo vaak als ik kon naar het ziekenhuis. Ik wilde er nog zo veel mogelijk voor mijn moeder zijn en van haar genieten, haar nageltjes lakken en vragen aan haar stellen die mij bezighielden. Ik wilde haar bevestiging dat ze zag en wist dat ik gelukkig was. Ik had een fotoalbum gemaakt van hoe ons huis eruit zag. Alle kamers, hoeken en gaten had ik in beeld gebracht. Ze zei tegen me “Jij denkt dat ik niet weet dat je gelukkig bent, maar ik zie het wel”. We hebben samen gehuild, gelachen en geknuffeld. Stiekem sigaretjes gesmokkeld (deden mijn zussen ook), die ze dan rookte in de toen nog “rookkamer” van de afdeling waar ze lag. Mijn vader mocht dat niet weten, volgens hem was ze gestopt, terwijl wij dachten, ach, als ze daar nog blij mee is, ze gaat toch, uiteindelijk. Dit was duidelijk berusting.

Uiteindelijk, na allerlei rekmiddelen, was mijn moeder er klaar voor om naar huis te gaan. De ziekte had haar lichamelijk uitgekleed, ze was enorm vermagerd. Ik heb haar zien wegteren, het was verschrikkelijk om haar zo te zien, zo mager, haar armen en benen, het was bot met een velletje. Ze had alleen een enorme dikke buik. Ik voelde me enorm verdrietig, kwaad en er was berusting. Deze fases (3,4,5,) wisselden elkaar af.

Op de vooravond van haar overlijden, 20 april 1998, was ik zo kwaad en verdrietig dat ik heb gevloekt. ‘Als er GVD echt iemand bestaat, laat haar dan alsjeblieft inslapen. Dit in mensonterend!”

De volgende ochtend, op 21 april is mijn allerliefste moeder, op 58-jarige leeftijd overleden.

Ik had er vrede mee. Toen.

Achteraf gezien en gevoeld, heb ik de fases van rouw wat mijn moeder betreft, vaker doorleefd. Op verschillende momenten, soms in een split second, soms intens bewust. In mijn leven zijn er veel dingen tegelijk gebeurd, waardoor er soms te weinig tijd en ruimte was om te rouwen. Het werd geparkeerd om later weer verder te doorleven. Ook nu ik er weer over schrijf, voel ik het in mijn lijf en geeft ook een soort berusting, herkenning en erkenning. Dit jaar ’21, werd ik zelf 58, ik denk sowieso vaak aan mijn moeder, maar dit jaar een beetje meer. Het gemis van mijn moeder is er nog steeds en toch voel ik dat ze altijd bij me is. Ze was mooi, lief, van binnen en van buiten.

De fases van rouw volgens Elisabeth Kübler- Ross

Fase 1 – Ontkenning: ‘Dit gebeurt niet bij mij’
Ontkenning is een bewuste of onbewuste weigering om de realiteit onder ogen te zien. Het is een natuurlijke vorm van zelfbescherming. Het helpt om zelf te bepalen in welk tempo het verdriet wordt toegelaten. We laten niet meer binnen dan we aankunnen. Sommige mensen blijven echter ‘opgesloten zitten’ in deze fase.

Fase 2 – Marchanderen: ‘ik beloof een betere persoon te worden als…’
Dit is de onderhandelingsfase. Men denkt bijvoorbeeld; als ik vanaf nu heel aardig ben voor iedereen dan kan ik mijn kinderen nog wel zien opgroeien. Vaak is de hoop (op herstel) een grote drijfveer.

 

Fase 3 – Woede: ‘Waarom met mij’
Als de waarheid tot iemand is doorgedrongen ontstaat er vaak boosheid. In deze periode is de rouwende meestal moeilijk te benaderen. Onder de woede ligt de pijn.

 

Fase 4 – Verdriet en depressie: ‘Ik geef het op’
Wanneer de realiteit geaccepteerd wordt komen gevoelens van verdriet, spijt, angst en onzekerheid naar boven. Vaak dienen verliezen uit het verleden zich weer aan. De rouwende is bijna niet meer te bereiken. Men kan behoefte hebben aan het steeds weer uiten van het verdriet. Op de bodem van het verdriet lift vaak woede. Onderdrukte woede is vaak de oorzaak van een depressie.

 

Fase 5 – Aanvaarding: ‘Ik ga verder met mijn leven’
Als iemand voldoende tijd en vaak ook enige hulp heeft gehad om door de genoemde fasen te gaan, begint men de realiteit te accepteren. Er komt berusting en men kan loslaten. Loslaten is niet hetzelfde als vergeten. Het is het verlies in het rouwproces een plaats geven en verder gaan.

 

© 2022 Ingrid Boerma

Niets uit deze publicatie mag op welke wijze dan ook worden gebruikt of openbaar gemaakt zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.

bottom of page